Slaapstuip

In alle rust is er ineens contact.
Koper op koper.
De schakelaar klikt aan
meteen weer uit.

Een split second oog in oog.
Vrije val door verloren tijd.

Alles balt samen valt het uit elkaar.
Ergens is een morgen nog net in het verschiet.
Daarna, waarachter…

Het hart op hol geslagen,
Het lichaam stijf rechtop in bed.
Adem piept gierend door de pijp.
De rust keert maar met moeite terug.

Na de eerste opluchting volgt het besef.
En een onbestemde nacht.

Bede – Albert Verweij

Bede

Ik ben een dichter en der Schoonheid zoon.
Alles wat schoon is, is me een vreugd altijd.
Mijn hart is menslijk, maar of ’k lach of lijd,
Mijn lachen en mijn leed zijn beide schoon.

Ik heb de macht dat ik wat schoon is toon
Aan andren, door de taal die ik belijd,
Zodat wie leest bedroefd wordt of verblijd,
Maar zich bedroevend vreugd smaakt van mijn schoon.

En zó zal ik, die altijd dichter ben,
Nooit enkel lijden, daar geen ogenblik
Der schoonheid wonder van mijn ziel zal vliên.

En daarom (zo ik recht mijzelven ken),
Zal ’k altijd troosten kunnen, wie als ik
Lijden, maar in hun leed geen schoonheid zien.

Albert Verwey (1865-1937)

verw

Weerzien

Nu, uren na je vertrek,
hangt je herinnering
nog altijd in de lucht.
Ik adem haar beneveld in.

En alles komt tot leven.

Maar, als de nevel optrekt
en ik jou weer zal zien.
Wordt het dan ooit nog
zoals gisteren en vandaag?

Mijn eigen Ina Damman was jij,
destijds op de middelbare school.
Ik zag je na de zomer in het tweede jaar:
jij ging naar de HAVO, ik  naar het VWO.

Bekeken door bijziende glazen,
vervormde ik jou tot mijn prinses.
En mijzelf tot kikker uit een sprookje:
zwaar betoverd, maar ongekust.

Ook wij kenden onze Breedevoorts.
Terwijl ik met ze heulde, ging jij er mee naar bed.
Hoe stinkend ik mijn best ook deed,
nooit ontving ik meer dan jouw verveelde blik.

Vervuld was ik van jouw dromen,
in dat tot nu mijn eenzaamst jaar.
Aan het eind waarvan ik mijn Marie vond,
en jou eindelijk te vergeten dacht.

Hier staan we weer, sinds lange jaren.
Mijn voeten raken de aarde zwaar.

Dat ik zo veranderd ben zeg jij.

Maar als dat waar is, hoe komt het dan
dat ik  niet uit mijn woorden kom?

Redeloos

Starend naar je grauw gezicht,
zie ik je doodstil liggen.
Redeloos verloren zijn we,
nu jij je voorbij het einde sliep.

Ik bezie je zonder spreken,
zoals ik nooit tegen je sprak.
Niet dat ik niets wil zeggen:
woorden maken geen geluid.

Ik keer me af. Rust zacht,
er zal niets meer gebeuren.
Slechts kansen zijn verkeken:
wij gingen tegelijkertijd.

Nijmegen

De maan wast laag boven de stad.
Golven weertrillen zacht
haar bruggen en haar torenspits.

Wit licht schijnt te verdwijnen in gebouwen,
rood schijnsel belicht de overkant.
Een late aak stampt morrend stroomopwaarts.

Alles trekt in richtingen voorbij,
aan dit bankje bij de Waal.

Alleen het water dat naar zee stroomt,
draagt zich met mij mee.

Deken

Als je honger hebt geef ik je te eten
en ik schenk je water in bij dorst.

Ik maak grappen om je te vermaken,
en luister aandachtig naar wat je me vertelt.

Wat je wilt zien: ik breng het naar je toe.
Wat je wilt weten: ik zoek het voor je op.

Op al jouw vragen antwoord ik.

Alleen als je het koud hebt,
is deze versleten deken
het enige dat ik je geven kan.

Zorgeloos bestaan dat nooit bestond,
danst in mijn herinneren rond.
Een melodie, een verzonnen lied,
vol weemoed, gek verdriet.

Lig, rol, zit, kruip, loop en verwonder.
De kop omhoog tot aan kopje onder.
Van hopeloos naar vol verlangen.
Stil geluk wordt luid verhangen.

Het verleden teer en recht gebogen:
wat hard was is nu krom,
maar wel bijzonder slecht gelogen.

Van achteren

Als ik het zo van achteren bekijk,
je billen trillend vol van vlees,
hadden we veel meer moeten geven.
Veel meer overgave. En veel,

veel minder vrees.

Veel dieper hadden we moeten duiken
n de vloeiende golven van ons lijf.
Blind hadden we op liefde moeten varen,
de bakens laten voor wat ze zijn.

We hadden het leven kunnen verslaan op eigen terrein.

Nu lig jij in hier dit hospitaalbed,
zuster morfine heeft je in de tang.
Ik ben bij je, jij bent weg van mij.

Een doorligplek. Mijn handen klauwen.
Wanhopig wil ik nog je volheid vatten.

Dit einde van jou is het einde van mij.

Klinkers

Wit uitgeslagen.
Zelfs de klinkers zijn,
losgevroren in hun voegen,
deze koude moe.

Diep weggedoken fietsers
buigen in de wind.
Op het stuur de handen,
koudgelast aan ijzig staal.

Zwart als ijs. Peilloos diep
hangt de winter uit
over de seizoenen.

Tot op het bot woekert
verlangen in hard bevroren klei.

En warmte verliest zich,
bij een open deur.

Overbelicht

Zoals wij schenen.
De zon schreeuwde het uit
van jaloezie.
In onsterfelijkheid bedrogen
wij de goden.

Zoals wij schenen.
Exploderend in het volle licht.
Eindeloos vervlogen,
het dijende heelal.

Nu nog bidden wij vol ongeloof.
Laten een lamp aan in de nacht,
verschenen uit ons zicht.

Pas de deux

De achtergrond helblauw,
maar zacht. Golvend
als was het eind in zicht.

Een innige omhelzing
midden op het  kaal toneel.

Nog even ligt in hen
de beweging, besloten,
gericht slechts op elkaar.

Het doek gaat op.

 

 

Springvloed

Roffelend in mijn borstkas
het ene ritme over het andere.
Golven stromen af en aan.

Wat werd vooruitgeschoven,
keert onveranderd terug.

In springvloed sta ik,
verdekt genageld op het strand.

Terugkeer

Traag keren we onder de mensen
weer mijn schat. Worden langzaam
jij en ik onszelf. Wie we waren,
daarnet nog, zweeft onbereikbaar hoog,
lokkend in de lucht die onze adem was.

Afstand

Jij trekt in vele dagen naar het zuiden
Ik naar het noorden in uren slechts.
Waar jij met de afstand groeit,
word je kleiner dicht bij mij.

De nacht vol van leven
en vol van nu.
Jij verdrinkt haast in het heden.
En ach, de dag.

Ik keer naar ons eiland.
Waar het strand,
eindeloos
het land tot stoppen dwingt.

Helden waren wij
gewapend met emmer en schep.
De wereld op onze hurken.

Vandaag als gelijken.
We springen. We botsen. We steken.
De koppen bij elkaar.

Wat tussen ons blijft,
is wat tussen ons gebeurd.

Grap

Een laatste belegen grap
waar niemand meer om lacht.

Alleen je adem die nog ruikt .

Het leven stroomt
dun en lauw.

Flits

Flits in een autoruit.
Een vrouw in alle vrouwen
en de eeuwen daar doorheen.

Voorbij het leven zijn
afslagen gemist.

In de superslomo van verdrinken,
is alles anders
dan gedacht.

Weg

Rennen in slow motion.
Laaghangend in de lucht
en stuurloos op de been.

Een kind wordt langzaam ouder.

Snel,
sneller alles komt tot stand.
Voor altijd na de start,
voor altijd voor de finish.
Voor altijd

onderweg
en pas op de plaats.

Fietsen zonder licht

Dat gevoel van onsterfelijkheid,
zo treffend verwoord
in het nog te schrijven gedicht
fietsen zonder licht,
is inmiddels ook alweer
verleden tijd

Koester

Koester in afwezigheid,
wat voor het grijpen ligt.
Geweten zonder te zijn gekend.
Nooit, ooit,
altijd verder weg.
Tot aan de grens.

Blijf binnen en stijg uit.
leef ten volle in stilte.

Afscheid

Tasten in de holte van de nacht.
Doodmoe, ik zat geknield.
Wat doof is hoort geen bede.
Ik stond op, zag hem gaan
tot hij uit zicht verdween,
licht gebogen naar de kim.
Aarde spat onder zijn voeten uit.
Ik zweef door het heelal.

The Eternal

Ik leerde je pas kennen
jaren na je vertrek.
De woorden die jij achterliet,
verbonden mij met jou.

Jij werd de broer die stierf
voordat ik geboren was.

Ik zocht jouw sporen,
volgde hun donkere pad.
Waar zij verdwenen,
nam ik een ander pad.

Jij was de hopeloze,
ik ben de hoopvolle.
Wat er voor jou niet was,
meen ik te kunnen zien.

Ik vervolg onze omgang,
jouw geluid sterft langzaam weg.

Maar ooit zal ik je volgen.
Weet dan dat jij,
zonder het te weten,
mijn eeuwigheid bezong.

Vissers

Zoekt jouw blik in mij
een plek om heen te gaan,
zoals mijn kleine ogen
een houvast bij jou?

Stil sta ik aan dit vreemde bed,
net als vroeger aan de dijk.
Twee vissers uit de grote stad.

Nog altijd niet wetend
wat te zeggen,
wordt het afgedaan met scherts.

Maar toch: mijn hand
op jouw schouder, vlijt even
mijn hoofd op jouw zachte trui

Zondvloed

Donkere wolken pakken samen
boven onbegrepen laagland.
Het weer dreigt met gevaar.

Regen valt bij bakken.
Wind wakkert tot orkaan.
Bomen buigen, takken knappen.

Luchtstromen botsen: wervel
winden. Het leven uit
vette klei, losgerukt.

De wind raast zich ten einde.
Water keert in haar oorsprong terug.

Stilte…
Wat groeit is wat niet verging.

Aanslag

Zo vers nog en zo dichtbij,
de eufore dagen.
Teder en zacht
hun pracht en praal.

Gegrepen.
Weggerukt.
Vermoord.

Alles dat was
(en misschien wel weer zal zijn)
ligt kapotgeslagen,
verbrijzeld aan mijn voeten.

Draai

Jij buigt door de dagen heen.
Draait de woorden
rond in hun betekenis.

Tomeloos de passie prekend:
Elk uur duurt langer dan zijn tijd.

In de nacht wordt alle vriendschap
schimmig op de muur.
En moeten de verhalen,
de eindjes aan elkaar geknoopt.

Jij woelt je om en om.
Weg
van waar het allemaal om draait.

Noodweer

De ochtend na het noodweer
vallen uit door wind getergde bomen
dikke druppels op mijn dunne broek.

Terwijl ik laveer tussen afgerukte takken
en plassen bij putten overstroomd.

Terwijl ik mijn vaste route fiets
naar wat er ook gisteren al was.

Terwijl ik in een flits van licht
de schoonheid van dit alles zie.

Vanuit volkomen vrijheid
In bewaring neergedaald.
Ondanks alle banden wel gevlucht,
maar nooit geheel ontsnapt.

Dus gaf jij de letters een eigen plaats,
woorden meer dan hun betekenis.
Werd elk verhaal onbegrijpelijk het jouwe.
Waar wij kwamen was jij al eerder.

En ook nu ben jij er al geweest.
Levenslang in vrije val.

voor Alfred