19 nov

Geschoren

Elke ochtend voor dag en dauw,
de huid van slaap nog soepel,
scheer ik je weg en voel als nieuw.

Mijn hand streelt jouw zijdezacht gezicht.

Rond het middaguur werpen
eerste stoppels reeds hun schaduw.
Fijnschurend in de avond,
grof op de grens van nacht.

19 nov

Rattenkoning

Nu de feiten zijn verdwenen
er geen waarheid
geen leugen is

De hele boel op drift
naar het eigen gelijk
uiteen gedreven

Het water aan de lippen
maar wat een grote dorst

Allah Akbar God is groot
oost west thuis best
het hoofd gedold tolt en rolt
alle straten alle staten

Holle Bolle Gijs
Magere Hein
dik dikker dikst
dun dunner dood

Schriftgeleerden
keukenmeesters en
zachte heel-

Muggenzifterij
schraalhans
builenpest

13 okt

Over lijden

Krimpend in een bed vol zorg.
Pijn trekt door je zienderogen
zieltogend lijf.

Je hart alleen houdt stand,
waar het mijne overslaat
bij jouw zacht zachter zachtst
gefluister.

-Ik geef niet zomaar op-
klinkt als liefde.
-Ik ga voorlopig nergens heen-
een gelofte bij wat een afscheid lijkt.

Jij bracht mij tot leven,
Hield mij in de lucht.
Speelde, maakte kampvuren,
droeg een zachte sweater,
stond langs de lijn bij mijn geschutter.
Vergaf mij oorbellen en oogschaduw.

Dat was jouw ik hou van jou.

Maar jij zweeg over het waarom,
ik over hoe onbegrijpelijk dat was.

De taal die ik zo laat pas leerde lezen,
spreek ik nu pas echt met jou.
Veel te laat natuurlijk,
maar voor altijd vroeg genoeg.

11 jul

Onderwereld

Angstig schreeuw ik wakker.
Hel verlichte nacht.
Zweet gutst uit mijn poriën,
Ruiten knallen uit hun sponning.

Walging vliegt en klimt,
kruipt door het verbrijzeld glas.
Handen voor het gezicht,
duik ik diep onder de dekens.

Aan de haren overeind gesjort,
mijn armen naar achteren gerukt.
Stekende pijn doorboord mijn hoofd,
weerhaken trekken mijn ogen open.

Felle vogels krijsen door de lucht,
slangen slijmeren langs mijn been.
Torren, spinnen kroelen over borst en buik,
ratten bijten zich in mijn armen vast.

Wormen wurmen zich door mijn huid,
Apen trekken vel van mijn gezicht.
Wee gevoel, mijn maag scheurt open,
bloed dat naar alle kanten spat.

De lucht ingezogen,
met de rug tegen de muur gekwakt.
Een spies boort zich door mijn keel.
Ik hang, voeten van de vloer.

Het gedrocht valt uit mijn maag,
een zwaveldamp stijgt op.
Het kijkt mij vol verachting aan,
barst uit in bulderend gelach.

Dan komt het weer op mij af,
drillend dreunend elke stap.
Terwijl ik het bewustzijn al verlies,
trekt de bek zich kwijlend open.

14 jun

Routine

Lakens zeik van het koude zweet.
Gejaagd ontwaak ik in de ochtend,
uit de dood die mij op de hielen zit.

Stalen geesten met hun kille lach
hangen boven mijn bed, even nog.
Dan vervagen de contouren in het licht.

Een warme douche, een snel ontbijt,
de routine van de dag vangt aan.
ik leef op ingesleten zekerheden.

Maar vanuit de diepte echoot
de kale weerklank van de nacht.

4 jun

Fin de siècle

Graal. Het ultieme orgasme,
dat over alle grenzen gaat.
De kleine dood, uitvergroot.
Necropolis opgegraven.

Wegen leiden naar zichzelf.

Geslachtsorganen in ieders huis.
een flitsende kut vol kleuren,
in elke hand een glimmende lul
Op afstand neuken wij elkaar.

Kisten zinken in het graf.

Trillend lillend gillend vlees,
Aangehaakt en uitgebeend.
Vleesverwerkende industrie
Vreesverwekkende gourmet.

En een pondje hart graag, slager.
Voor de hond.
9 mei

Love will tear us apart

Drums en bas het fundament,
gitaar en keyboards het gebouw.
Jouw stem uit de kelder,
zet het geheel in vuur en vlam.

Ik zie jou voor het eerst.
Voel de kracht die herrijst
uit bergen as.

Even word jij mijn broer,
komen wij uit hetzelfde nest.

In onze ogen dooft hetzelfde licht.

6 mei

Kennis

De spanning vloeide via onze tenen weg.
Wij schoven de gordijnen open.
De eerste dooi. Druppels
biggelden langs het raam.

Onzeker ontloken wij elkaar.

Toen kwam, terug van weggeweest,
die oude kennis, en joeg ons uiteen,
dreef elk terug naar zijn seizoen.

In het mijne sneeuwde het alweer.

6 mei

Talen

Jij glimlacht en ik grijns terug.
Wij denken allebei
het onze.

– Weet je nog.
Toen we ook zo zwegen,
en wat dat betekende.

Jij grimlacht en ik grijns terug.
Wij zijn weer allebei
onszelf.

-Ik weet nog.
Toen wat onbereikbaar was,
ineens zo dichtbij leek.

Jij taalt er niet meer naar.

2 mei

Gelag

Hij had gedronken gisteravond.
Zonder rekenschap,
als een ter dood veroordeelde zoveel.

De eerste glazen waren ontspanning,
een bevrijding van de druk,
de laatste regels van een moeizaam schrijven.

Toen volgde wat aan dronkenschap voorafgaat:
de langzame vertroebeling, het wankelen,
stotteren en steeds harder herhalen.

En tot slot zoals het altijd eindigt:
alsmaar voller vloeiend van keer op keer hetzelfde,
lege glas.

2 mei

Icarus ontwaakt

Maar half wetend waar hij was,
zweet hij naar het venster,
laat de nachtkou binnen.

Hij kijkt omhoog en rilt.

Eén aarzelende seconde,
dan: de afzet en de sprong.
Wijduit strekken zich zijn vleugels.

Als was hij in mijn handen.

Hij tolt tuimelt in de diepte
-vliegen is toch niets gedaan.

Door de dampkring.
Een komeet.

8 apr

Wat je al niet vergeten kan

Wat je al niet vergeten kan,
je door de dag heen helpt.
Struikelend van aangebrand
naar half gaar.

Routine, dan chaos in een seconde.
Zelfs de kraan draait andersom
en alles stroomt omhoog,

even hard naar voren als in de achteruit.
Het leven leeft zo zijn leven,
maar dromen zijn pas echt.

10 mrt

Zweet

Schimmige handen steken
door mijn borst. Omklemmen
het hart dat samentrekt.
Overslaat. Wakker schrikt.

Rechtop aan een dunne draad,
wis ik het zweet van mijn gezicht.

Wat ’s nachts zo overdadig stroomt
Lekt nog geen druppel overdag.

het donker krijgt meer en meer gelijk.

18 dec

Unknown Pleasures

De kreek die uitmondt in zichzelf,
rimpeling van verzonken.
Gevangen in zuidwesthoekklei,
de zee in land verdronken.

Waar we polsstok sprongen in de wei
en vreeën tussen koeienstront.
Waar ik thuis met blauwe ballen kwam,
Met blauwe jeiter aan mijn kont.

Waar volgens buurvrouw zondags werk niet gedijt,
was zij volgens vader op die dag verwekt.
Waar we verder alle dagen zwegen,
De tafel stipt om 6 gedekt.

Waar mijn zaad en roem niet
wilden aarden in het begraasde gras.
Waar nu een nieuwe nieuwbouwwijk
Nieuwer is dan toen de onze was.

Waar ik woorden zocht voor
wat voor mij alleen onzegbaar leek.
Woorden die ik voor mezelf zweeg.
Waarvan ik nog de stille echo hoor.

Waar ik in de koopjesbak van Minkema,
Nota bene, Unknown Pleasures vond.

Waar dan toch maar mooi uit bleek
dat er dus wel degelijk iets bestond.

4 mrt

Compositie

Dat alles klopt en compositie is.
Een pagina als opgespannen doek.

En mijn hand die erboven zweeft.

Tot het duister valt en het licht breekt.
Inktvlekken als uit de pot gestroomde verf.

En de muziek die daarboven zwelt.

4 mrt

Het kind en jij en ik

In vermoeden verborgen,
het kind nog zo geheel
de jouwe.

Even nog, dan is jouw pijn de zijne.
Jouw laatste schreeuw zijn eerste,
evenals jouw troost.

En nog weer later,
je stem zal weerklinken
in zijn eerste woord.

Ik prevel zacht.
Onder mijn handen gaat jouw buik
even op en neer.

4 mrt

Jaargangen

Jaartallen noteren moet.
Wat was wanneer wat is.
Een ontroerde jeugd voor altijd
hogedrukgebied.

Wat ben jij jong nog.
De schoonheid kleeft je aan,
verdwijnend in wat voor je kwam.

Twee druppels wordt gezegd.
Ik weet: het zijn de ogen.

25 feb

Vogelaar

Alle vogels in het bos
-Boomkruiper en -klever,
roodborst en pimpelmees,
specht en nachtegaal.

Oehoe.

Zij halen het niet
bij rivier, meer en zee.

18 dec

Aanslag

Pracht en praal.
De eufore dagen waren zo dichtbij.

Maar gereten, uitgerukt.
Parels voor de zwijnen.

Alles dat was
-en wie weet wel weer zal zijn-
ligt verbrijzeld aan mijn voeten.

18 dec

Met een oude vriend

Een pianist speelt in de bioscoop.
Uit onze tenen halen wij de tijd:
weet je nog en was dat niet.

Stomme film uit een oude doos.
En oude mensen gelijk:
wij leven wij achteruit,
van wasdom terug naar kinderrijk.

De scherpe lijn in jeugd begonnen,
vervaagt kaarsrecht in de verte.

18 dec

Kus me

Kus me, vlug voor ik vertrek.
En vraag me niet
waarheen.

Zonder logica, zonder wetten.
Regelloos tot op het bot.

Over en uit.
ik ben niet meer.

Dus snel nu, dood,
kus me.

25 jun

Vissen

Vissen, samen aan de dijk
waar zoet en zout elkaar ontwijken.
De wind, straf landinwaarts,
blaast ons in het gezicht.

Het tij komt op en wij
staren over zee.
Zwaar door bloed verbonden
hangen tussen ons de jaren.

Het lood zinkt naar de bodem,
De lijnen trekken strak.
Onze hengels voelsprieten
op de kleinste vis gespitst.

De tijd verstrijkt. Wij
slaan eens aan en halen in.
Ongemerkt zijn onze haken van aas ontdaan.
Met verse wormen werpen we nog verder uit.

Doodtij. Dan wijkt het water.
Het leefnet hangt half op het droge al.
Ik haal nog één keer in.

De vis spartelt aan de haak,
diep verborgen in zijn keel.
Wat mij rest: de lijn
te knippen bij de bek.

Dan glip jij mij uit handen,
val je terug in zee.
De lucht vult zich met gekrijs:
onze pieren vliegen met de meeuwen mee.

15 apr

Weetje

Afscheid in de ochtend
kust de deur achter je dicht.
Wat jij ziet zie jij alleen
en alle seinen staan op dood.

Het water vloedt hoger en hoger,
het ijs breekt niet de tijd.
’s nachts zwaaien stormen
ramen open uit het lot.

Wat je nooit hebt durven dromen
kleeft als pek en veren aan je huid.
De uitgesproken woorden doofstom.
Alleen de brief die het verstaat.

Maar, weetje:
Wanhoop is ook een soort van hoop.
En weggaan kan altijd nog wel.

28 sep

Stoplicht

De nevelige ademtocht
meandert voorlangs in de schemer nog.
Wachtend want rood.

In tegenritme snuif ik diep haar geur:
Vers en fris gepoetst op vleugels van Arabica.
Hallucinatie en betovering.

Licht verliefd, maar voor ik kijken wil
Hé ouwe, groener wordt ie niet!
En zij fietst ergens met mij weg,
in de ochtendspits verdwaald.

18 mrt

Slaapstuip

In alle rust is er ineens contact.
Koper op koper.
De schakelaar klikt aan
meteen weer uit.

Een split second oog in oog.
Vrije val door verloren tijd.

Alles balt samen valt het uit elkaar.
Ergens is een morgen nog net in het verschiet.
Daarna, waarachter…

Het hart op hol geslagen,
Het lichaam stijf rechtop in bed.
Adem piept gierend door de pijp.
De rust keert maar met moeite terug.

Na de eerste opluchting volgt het besef.
En een onbestemde nacht.

30 mei

Hoogpolig

Briesend tegenover elkaar.
Wat het diepste gaat het hardste raakt.

Bloed vloeit waar het maar kan gaan.

De vlekken blijven
vegen in het tapijt.

16 feb

Weerzien

Nu, uren na je vertrek,
hangt je herinnering
nog altijd in de lucht.
Ik adem haar beneveld in.

En alles komt tot leven.

Maar, als de nevel optrekt
en ik jou weer zal zien.
Wordt het dan ooit nog
zoals gisteren en vandaag?

20 jan

Jeugdliefde

Mijn eigen Ina Damman was jij,
destijds op de middelbare school.
Ik zag je na de zomer in het tweede jaar:
jij ging naar de HAVO, ik  naar het VWO.

Bekeken door bijziende glazen,
vervormde ik jou tot mijn prinses.
En mijzelf tot kikker uit een sprookje:
zwaar betoverd, maar ongekust.

Ook wij kenden onze Breedevoorts.
Terwijl ik met ze heulde, ging jij er mee naar bed.
Hoe stinkend ik mijn best ook deed,
nooit ontving ik meer dan jouw verveelde blik.

Vervuld was ik van jouw dromen,
in dat tot nu mijn eenzaamst jaar.
Aan het eind waarvan ik mijn Marie vond,
en jou eindelijk te vergeten dacht.

Hier staan we weer, sinds lange jaren.
Mijn voeten raken de aarde zwaar.

Dat ik zo veranderd ben zeg jij.

Maar als dat waar is, hoe komt het dan
dat ik  niet uit mijn woorden kom?

14 jan

Redeloos

Starend naar je grauw gezicht,
zie ik je doodstil liggen.
Redeloos verloren zijn we,
nu jij je voorbij het einde sliep.

Ik bezie je zonder spreken,
zoals ik nooit tegen je sprak.
Niet dat ik niets wil zeggen:
woorden maken geen geluid.

Ik keer me af. Rust zacht,
er zal niets meer gebeuren.
Slechts kansen zijn verkeken:
wij gingen tegelijkertijd.

11 jan

Nijmegen

De maan wast laag boven de stad.
Golven weertrillen zacht
haar bruggen en haar torenspits.

Wit licht schijnt te verdwijnen in gebouwen,
rood schijnsel belicht de overkant.
Een late aak stampt morrend stroomopwaarts.

Alles trekt in richtingen voorbij,
aan dit bankje bij de Waal.

Alleen het water dat naar zee stroomt,
draagt zich met mij mee.

5 jan

Deken

Als je honger hebt geef ik je te eten
en ik schenk je water in bij dorst.

Ik maak grappen om je te vermaken,
en luister aandachtig naar wat je me vertelt.

Wat je wilt zien: ik breng het naar je toe.
Wat je wilt weten: ik zoek het voor je op.

Op al jouw vragen antwoord ik.

Alleen als je het koud hebt,
is deze versleten deken
het enige dat ik je geven kan.

4 jan

Kindervers

Zorgeloos bestaan dat nooit bestond,
danst in mijn herinneren rond.
Een melodie, een verzonnen lied,
vol weemoed, gek verdriet.

Lig, rol, zit, kruip, loop en verwonder.
De kop omhoog tot aan kopje onder.
Van hopeloos naar vol verlangen.
Stil geluk wordt luid verhangen.

Het verleden teer en recht gebogen:
wat hard was is nu krom,
maar wel bijzonder slecht gelogen.

27 aug

Van achteren

Als ik het zo van achteren bekijk,
je billen trillend vol van vlees,
hadden we veel meer moeten geven.
Veel meer overgave. En veel,

veel minder vrees.

Veel dieper hadden we moeten duiken
n de vloeiende golven van ons lijf.
Blind hadden we op liefde moeten varen,
de bakens laten voor wat ze zijn.

We hadden het leven kunnen verslaan op eigen terrein.

Nu lig jij in hier dit hospitaalbed,
zuster morfine heeft je in de tang.
Ik ben bij je, jij bent weg van mij.

Een doorligplek. Mijn handen klauwen.
Wanhopig wil ik nog je volheid vatten.

Dit einde van jou is het einde van mij.

15 okt

Klinkers

Wit uitgeslagen.
Zelfs de klinkers zijn,
losgevroren in hun voegen,
deze koude moe.

Diep weggedoken fietsers
buigen in de wind.
Op het stuur de handen,
koudgelast aan ijzig staal.

Zwart als ijs. Peilloos diep
hangt de winter uit
over de seizoenen.

Tot op het bot woekert
verlangen in hard bevroren klei.

En warmte verliest zich,
bij een open deur.

7 okt

Overbelicht

Zoals wij schenen.
De zon schreeuwde het uit
van jaloezie.
In onsterfelijkheid bedrogen
wij de goden.

Zoals wij schenen.
Exploderend in het volle licht.
Eindeloos vervlogen,
het dijende heelal.

Nu nog bidden wij vol ongeloof.
Laten een lamp aan in de nacht,
verschenen uit ons zicht.

3 jun

Pas de deux

De achtergrond helblauw,
maar zacht. Golvend
als was het eind in zicht.

Een innige omhelzing
midden op het  kaal toneel.

Nog even ligt in hen
de beweging, besloten,
gericht slechts op elkaar.

Het doek gaat op.

13 mei

Springvloed

Roffelend in mijn borstkas
het ene ritme over het andere.
Golven stromen af en aan.

Wat werd vooruitgeschoven,
keert onveranderd terug.

In springvloed sta ik,
verdekt genageld op het strand.

17 apr

Terugkeer

Traag keren we onder de mensen
weer mijn schat. Worden langzaam
jij en ik onszelf. Wie we waren,
daarnet nog, zweeft onbereikbaar hoog,
lokkend in de lucht die onze adem was.

7 feb

Afstand

Jij trekt in vele dagen naar het zuiden
Ik naar het noorden in uren slechts.
Waar jij met de afstand groeit,
word je kleiner dicht bij mij.

De nacht vol van leven
en vol van nu.
Jij verdrinkt haast in het heden.
En ach, de dag.

Ik keer naar ons eiland.
Waar het strand,
eindeloos
het land tot stoppen dwingt.

Helden waren wij
gewapend met emmer en schep.
De wereld op onze hurken.

Vandaag als gelijken.
We springen. We botsen. We steken.
De koppen bij elkaar.

Wat tussen ons blijft,
is wat tussen ons gebeurd.

24 aug

Grap

Een laatste belegen grap
waar niemand meer om lacht.

Alleen je adem die nog ruikt .

Het leven stroomt
dun en lauw.

24 aug

Flits

Flits in een autoruit.
Een vrouw in alle vrouwen
en de eeuwen daar doorheen.

Voorbij het leven zijn
afslagen gemist.

In de superslomo van verdrinken,
is alles anders
dan gedacht.

30 apr

Weg

Rennen in slow motion.
Laaghangend in de lucht
en stuurloos op de been.

Een kind wordt langzaam ouder.

Snel,
sneller alles komt tot stand.
Voor altijd na de start,
voor altijd voor de finish.
Voor altijd

onderweg
en pas op de plaats.

3 apr

Fietsen zonder licht

Dat gevoel van onsterfelijkheid,
zo treffend verwoord
in het nog te schrijven gedicht
fietsen zonder licht,
is inmiddels ook alweer
verleden tijd

24 mrt

Koester

Koester in afwezigheid,
wat voor het grijpen ligt.
Geweten zonder te zijn gekend.
Nooit, ooit,
altijd verder weg.
Tot aan de grens.

Blijf binnen en stijg uit.
leef ten volle in stilte.

23 feb

Afscheid

Tasten in de holte van de nacht.
Doodmoe, ik zat geknield.
Wat doof is hoort geen bede.
Ik stond op, zag hem gaan
tot hij uit zicht verdween,
licht gebogen naar de kim.
Aarde spat onder zijn voeten uit.
Ik zweef door het heelal.

23 feb

The Eternal

Ik leerde je pas kennen
jaren na je vertrek.
De woorden die jij achterliet,
verbonden mij met jou.

Jij werd de broer die stierf
voordat ik geboren was.

Ik zocht jouw sporen,
volgde hun donkere weg.
Waar zij verdwenen,
nam ik een ander pad.

Jij was de hopeloze,
ik ben de hoopvolle.
Wat er voor jou niet was,
meen ik te kunnen zien.

Ik vervolg onze omgang,
jouw geluid sterft langzaam weg.

Maar ooit zal ik je volgen.
Weet dan dat jij,
zonder het te weten,
mijn eeuwigheid bezong.

23 feb

Vissers

Zoekt jouw blik in mij
een plek om heen te gaan,
zoals mijn kleine ogen
een houvast bij jou?

Stil sta ik aan dit vreemde bed,
net als vroeger aan de dijk.
Twee vissers uit de grote stad.

Nog altijd niet wetend
wat te zeggen,
wordt het afgedaan met scherts.

Maar toch: mijn hand
op jouw schouder, vlijt even
mijn hoofd op jouw zachte trui

23 feb

Zondvloed

Donkere wolken pakken samen
boven onbegrepen laagland.
Het weer dreigt met gevaar.

Regen valt bij bakken.
Wind wakkert tot orkaan.
Bomen buigen, takken knappen.

Luchtstromen botsen: wervel
winden. Het leven uit
vette klei, losgerukt.

De wind raast zich ten einde.
Water keert in haar oorsprong terug.

Stilte…
Wat groeit is wat niet verging.

22 feb

Aanslag

Zo vers nog en zo dichtbij,
de eufore dagen.
Teder en zacht
hun pracht en praal.

Gegrepen.
Weggerukt.
Vermoord.

Alles dat was
(en misschien wel weer zal zijn)
ligt kapotgeslagen,
verbrijzeld aan mijn voeten.

22 feb

Draai

Jij buigt door de dagen heen.
Draait de woorden
rond in hun betekenis.

Tomeloos de passie prekend:
Elk uur duurt langer dan zijn tijd.

In de nacht wordt alle vriendschap
schimmig op de muur.
En moeten de verhalen,
de eindjes aan elkaar geknoopt.

Jij woelt je om en om.
Weg
van waar het allemaal om draait.

22 feb

Noodweer

De ochtend na het noodweer
vallen uit door wind getergde bomen
dikke druppels op mijn dunne broek.

Terwijl ik laveer tussen afgerukte takken
en plassen bij putten overstroomd.

Terwijl ik mijn vaste route fiets
naar wat er ook gisteren al was.

Terwijl ik in een flits van licht
de schoonheid van dit alles zie.

22 feb

Vrije val

Vanuit volkomen vrijheid
In bewaring neergedaald.
Ondanks alle banden wel gevlucht,
maar nooit geheel ontsnapt.

Dus gaf jij de letters een eigen plaats,
woorden meer dan hun betekenis.
Werd elk verhaal onbegrijpelijk het jouwe.
Waar wij kwamen was jij al eerder.

En ook nu ben jij er al geweest.
Levenslang in vrije val.

voor Alfred