Rennen in slow motion.
Laaghangend in de lucht
en stuurloos op de been.
Een kind wordt langzaam ouder.
Snel,
sneller alles komt tot stand.
Voor altijd na de start,
voor altijd voor de finish.
Voor altijd
onderweg
en pas op de plaats.
Rennen in slow motion.
Laaghangend in de lucht
en stuurloos op de been.
Een kind wordt langzaam ouder.
Snel,
sneller alles komt tot stand.
Voor altijd na de start,
voor altijd voor de finish.
Voor altijd
onderweg
en pas op de plaats.
Als je honger hebt maak ik wat te eten,
ik schenk je water in bij dorst.
Wat je wilt zien, daar breng ik je naar toe.
Wat je wilt weten zoek ik voor je op.
Ik maak grappen om je te vermaken,
en luister aandachtig naar wat je me vertelt.
Alleen,
als je het koud hebt,
is een deken,
slechts wat ik je geven kan.
Dat gevoel van onsterfelijkheid,
zo treffend verwoord
in het nog te schrijven gedicht
fietsen zonder licht,
is inmiddels ook alweer
verleden tijd
Koester in afwezigheid,
wat voor het grijpen ligt.
Geweten zonder te zijn gekend.
Nooit, ooit,
altijd verder weg.
Tot aan de grens.
Blijf binnen en stijg uit.
leef ten volle in stilte.
Tasten in de holte van de nacht.
Doodmoe, ik zat geknield.
Wat doof is hoort geen bede.
Ik stond op, zag hem gaan
tot hij uit zicht verdween,
licht gebogen naar de kim.
Aarde spat onder zijn voeten uit.
Ik zweef door het heelal.
Ik leerde je pas kennen
jaren na je vertrek.
De woorden die jij achterliet,
verbonden mij met jou.
Jij werd de broer die stierf
voordat ik geboren was.
Ik zocht jouw sporen,
volgde hun donkere pad.
Waar zij verdwenen,
nam ik een ander pad.
Jij was de hopeloze,
ik ben de hoopvolle.
Wat er voor jou niet was,
meen ik te kunnen zien.
Ik vervolg onze omgang,
jouw geluid sterft langzaam weg.
Maar ooit zal ik je volgen.
Weet dan dat jij,
zonder het te weten,
mijn eeuwigheid bezong.
Zoekt jouw blik in mij
een plek om heen te gaan,
zoals mijn kleine ogen
een houvast bij jou?
Stil sta ik aan dit vreemde bed,
net als vroeger aan de dijk.
Twee vissers uit de grote stad.
Nog altijd niet wetend
wat te zeggen,
wordt het afgedaan met scherts.
Maar toch: mijn hand
op jouw schouder, vlijt even
mijn hoofd op jouw zachte trui
Donkere wolken pakken samen
boven onbegrepen laagland.
Het weer dreigt met gevaar.
Regen valt bij bakken.
Wind wakkert tot orkaan.
Bomen buigen, takken knappen.
Luchtstromen botsen: wervel
winden. Het leven uit
vette klei, losgerukt.
De wind raast zich ten einde.
Water keert in haar oorsprong terug.
Stilte…
Wat groeit is wat niet verging.
Zo vers nog en zo dichtbij,
de eufore dagen.
Teder en zacht
hun pracht en praal.
Gegrepen.
Weggerukt.
Vermoord.
Alles dat was
(en misschien wel weer zal zijn)
ligt kapotgeslagen,
verbrijzeld aan mijn voeten.
Jij buigt door de dagen heen.
Draait de woorden
rond in hun betekenis.
Tomeloos de passie prekend:
Elk uur duurt langer dan zijn tijd.
In de nacht wordt alle vriendschap
schimmig op de muur.
En moeten de verhalen,
de eindjes aan elkaar geknoopt.
Jij woelt je om en om.
Weg
van waar het allemaal om draait.